15-09-05

AFRIkaans


 
 
 
 
 
 
 

 

Hoe moeizaam toch

dit verhaal over jij en wij

en ik, ik vooral.

 

Waarom niet

over vermaarde psychiaters

en speelse rokjes

en dijen als was?

Waarom niet over juichen

met soldaatjes

moordend in tweestromenland?

 

Ik wil jullie leiden,

ik, vuil zelfgenoegzaam zwijn,

die genade eet als ontbijt

en spuwt en rochelt om

vergeten doden.

Ik lach om jullie,

ik, smerige hyena,

stinkend anorectisch vod,

heerser van al wat hoogland heet te zijn.

 

Ik dineerde met mijn vriend,

groots in evenknie,

walgelijke dilettant,

struikrover van het eerste uur

met leermeesters uit

schuurpapier.

 

Ik fêteerde mijn kleine meester,

op het gala van de heren van stand

in een land

in chaos

met mijn graaipoot

smekend

om mijn hoogland

te derven van

al te welige lijken.

 

Ik ben heerser

en leider.

Ik ben despoot

en beul.

Ik ben aanvoerder van hordes

drugverslaafden.

 

Schuldig verzuim,

Zo luidt ons verdict.

Wij dumpen u,

jij zwarte werker.

Met aftrek van uw voorarrest

moeten wij u

nog een ordetje hier

en een knievalletje daar.

 

Hoe moeizaam toch

dit verhaal over jij en wij

en ik, ik vooral. 

 

 

 

 



00:00 Gepost door eds | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

13-09-05

 


 
 
 
 
 
 

 
 
(-regie: traag-)
 

Ik weet slechts

dat vergetelheid ons wacht.

 

Geboren uit verre sterren

die we niet kennen,

is zij hardnekkig &

eeuwen oud.

Vermaalt zij traag

het herstel van wat was

en nooit meer komt.

 

Is zij dan niet de al-vergever?

De dame met de spiegel van glas?

 

Nooit heb ik iets begrepen

van gebazel in verre kerken,

van ijdel streven naar bombast.

 

Ik weet slechts  

dat wij echo’s zijn van luide stemmen,

dat niets ons blijft,

tenzij de troost dat ooit iets was.

 

Dansen wij op het lied

van verdronken dorpen,

zonder zin in metafysica?

Lopen we als verminkte apen

te brullen tegen al wat mag?

 

Nooit heb ik iets begrepen,

van alles wat is, en komt en was.

 

Ik ben alleen,

zo zal ik fluisteren,

waar is mijn lief,

mijn zin gebleven?

 

Een lege schelp, een lijn van vloed,

Zo zie ik ons,

of zie ik niet?

18:04 Gepost door eds | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

05-09-05

 Terecht

 

 

 

 


 
 
 
 
 
 

Hij keek me aan, met ogen vol zon

Maar ik vermoedde de sneeuw in elk woord

Dat hij sprak,

Gelaagd, belaagd door oeroud weten:

 

je groeit in mij

je roert in mij

je speelt in mij

je neemt me langzaam over.

 

yehe aur.

er was licht

toen je kwam in mij.

 

Hij keek nog steeds, met ogen vol nacht

Maar ik vermoedde ijs en vuur in elk woord

Dat hij sprak.

En na lang dwalen en aarzelen:

bijna verloor ik jou in mij.

 

 






02:52 Gepost door eds | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |

15-06-05

Eerste brief aan de onrechtvaardige rechters

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

If language is not correct, then what is said is not what is meant; if what is said is not what is meant, then what must be done remains undone; if this remains undone, morals and art will deteriorate; if justice goes astray, the people will stand about in helpless confusion. Hence there must be no arbitrariness in what is said. This matters above everything.

 

 

 

Van Umberto, door Gods wil aanwezig op dit ondermaanse, en onze broeder Johannes, aan de onrechtvaardige rechter van de gemeente van Gent, onze broeder in het geloof.

Genade voor u, wellicht nooit en

Vrede, voor u, wellicht nooit.

 

Wij vervloeken God, de vader van onze Heer Jezus Christus, telkens wij u in onze gesprekken gedenken.

Wij hebben immers gehoord van uw oordeel, dat in deze wereld geen vrucht kan dragen.

Wij zeggen aldus dat het woord van de waarheid niet bij u kwam.

Zo hebt gij het blijkbaar geleerd, van Judas, u welbekend en voor u de enige dienaar van Christus.

 

Vanaf het ogenblik dat wij dit hebben gehoord, houden wij dan ook niet op voor u te bidden. Wij smeken God u ooit wat wijsheid en geestelijk inzicht te schenken, zodat gij Zijn wil ooit nog eens verstaat en een leven leidt dat eindelijk waarachtig mag worden.

 

Ziet u, u heeft ons ontrukt aan het koninkrijk van het licht en overgebracht naar het domein van de duisternis, zodat uw bevrijding nooit verzekerd zal zijn en uw zonden u altijd tekenen zullen.

 

Voor u op kippertjesdag dus geen vergeving.

U was ons vijandig gezind en uw daden waren slecht.

En door Zijn dood, uw naam nabij, verkondigen wij het geheim dat niet verborgen was voor alle eeuwen en alle generaties: ‘Christus is niet in u’, en ook: ‘De hoop op een eeuwige heerlijkheid is niet aan u’.

 

Daarvoor spannen wij ons in, strijdend met Zijn kracht, die machtig in ons werkt. 

Wij zeggen u dit om te voorkomen dat u verder met schijnschone redeneringen uw dagen slijt, met uw waardeloze, bedrieglijke theorieën, puur des mensens bedenksels. De oorkonde met haar bezwarende bepalingen, die tegen ons getuigde, hebben wij niet verscheurd. Wij hebben haar niet vernietigd en niet aan het kruis genageld. O ironie des naams.

 

Maakt dus radicaal een einde aan uw immorele praktijken, uw ontucht en uw hebzucht.

Want voorwaar, wie onrecht doet, krijgt zijn onrecht terug; wij kennen geen gunstelingen.

Het verderf zal u overvallen zoals weeën een zwangere vrouw, en niets zal zijn dan nacht en duisternis.  

Wij wijzen u niet terecht, gij leegloper, kleinmoedige, zwakkeling.

De dag des vergelding is nabij.

Want zie, de grote afval moest eerst komen en de goddeloze Mens moest zich openbaren, de Zoon des verderfs, de Tegenstander, die zich verheven voelt boven al wat verering ontvangt, zo zelfs dat hij zich neerzette in de tempel der rechtvaardigheid en in ruil voor schamele thalers zijn schamele oorkonde schreef.

De Goddeloze, steunend op de kracht van de satan, schreef haar oorkonde, vergezeld van allerlei wonderen, tekenen en goochelkunsten.

 

U wilt dus leraar zijn van de wet, maar u begrijpt niet eens wat u zegt noch datgene waarover u zulke stellige uitspraken ten beste geeft.

Uw wet is er niet voor de rechtvaardigen, want rechtvaardig is zij niet; zij is er voor mensen die zich aan God noch gebod storen, voor weerspannigen en zondaars, voor verachters en bespotters van al wat heilig is, vadermoorders en moedermoorders, doodslagers, hoerenlopers, knapenschenders, ronselaars, leugenaars, meinedigen; uw wet is er dus voor u, want in elk der bestemden lezen wij uw naam.

 

Zo ook zult u veroordeeld worden, die de waarheid geweigerd heeft en de ongerechtigheid gekozen, verleid als u was, gij staminodium, door de beurzen van  huichelachtige leugensprekers, wier geweten met een brandijzer is toegeschroeid.

 

Dit woord, met eigen hand geschreven door Umberto en zijn broeder Johannes, is betrouwbaar, want draagt een vijgenboom olijven of een wijnstok vijgen?

 

Gij, preker van Judas, gij zwelgt op deze aarde, gij hebt u vetgemest voor de dag van de slachting.

Gij hebt de rechtvaardige gevonnist en vermoord; hij heeft geen verweer tegen u.

 

Maar uw rechter staat al voor de deur.

Scherper dan een tweesnijdend zwaard, zal zijn oordeel doordringen tot het raakpunt van uw weke ziel en geest, van uw schamele gewrichten en merg.

Beroofd zult u worden van uw oneerlijke winst; uw lust op klaarlichte dag te zwelgen in eigendunk zal uw geslacht bezoedelen en vervloeken, volleerd als u bent in de luiheid en hebzucht.

Maar weet ‘een hond keert terug naar zijn eigen braaksel en een schoongewassen zeug naar de modderpoel.’

 

Wij talmen dus niet met deze zinnen, wij, Umberto en zijn broeder Johannes, schrijven deze zinnen met eigen hand.

 

 

 

U weest dus gewaarschuwd, uw door de zonden bezoedeld kleed zal tot vaan dienen op onze akkers.

Wij kunnen slechte mensen niet verdragen, hen die zich rechters noemen maar het niet zijn; Luiden die het merkteken, de naam van het Beest of het getal van zijn naam dragen. En dit getal van die luiden –zoals geborduurd op uw huichelachtig gewaad- is 666.

 

U zult dus de wijn drinken, gij vermaledijde liegende kruisvaarder, u zult de wijn drinken van onze toorn, onverdund geschonken in de beker van onze gramschap.

En de engel van de wateren zal zeggen: ‘Rechtvaardig zijt gij, Umberto –en ook uw broeder Johannes- dat gij uw vonnis zo hebt geveld.

Bloed heeft hij willen vergieten, het bloed van onschuldigen en profeten, en bloed hebt gij hem te drinken gegeven. Hij heeft het verdiend.’   

 




15:15 Gepost door eds | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |

Eerste bericht aan mijn vader

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wakker worden in verre huizen

Denkend aan die lieve, dode dagen

En de vader die niet vragen kon:

Hoe laat die nacht?

En de moeder die niet sussen kon:

Stil maar, zachte man

Het klaart al rood in de tuin

 

Nu spreek ik dan

Een eerste keer.

 

Nooit die hand in jouw hand

Nooit meer dan vage flarden

 

Jij bent dus al gegaan

Uit de vaart van zeven levens

 

En in die ene zin van zeven zinnen

-ouder dan vandaag-

                          hoorde ik dan eindelijk je stem.

15:02 Gepost door eds | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

        In een straa

 
 
 
 
 
 
 
 
In een straat van zomaar een stad
zei nog maar eens een heer met hoge hoed:
 
in mij
woeden de gevechten van alle slaven van alle eeuwen,
vechten de aspiraties van alle heersers van alle eeuwen,
dromen de verzuchtingen van alle geliefden van alle eeuwen.
 
Hoe kun je me dan vragen,
kereltjes van was,
dat ene woord
dat bitter jagend
vertaald wordt in dat ene rijm
- waar niemand weet van heeft?
 
In mij...
 
Ik liep alweer de straat over.
 
Zij zwanzen
voor zwijmelende dames
ter eer en glorie van slechts zichzelf.
 

14:55 Gepost door eds | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

17-05-05

Atocha

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Picture this:

Een dichter in een straat

die de meute gadeslaat.

 

En, dichtertje Jabberwock, onderweg?

 

‘Nee’, huilt-ie dan tegen

de vulkanen van vuur.

‘Sterven doe ik niet, in dit uur van

vuige rotzooi’.

 

‘Nee’, brult-ie dan,

op papier

en veilig weggeborgen

ergens in een veilige straat

van een veilige stad.

Bilbao.

 

 

De bakker, Juan Panadero, die zei het al:

Vrede willen we

in de passie van het grote

en de illusie van het kleine.

 

Mijn lieve meneer Alberti,

jawel, maar hoe verwoord ik dit?

Hoe vertel ik dit

in het geweld van te bruuske remmen

en vele onvermoede dode lijven.

Hoe vertel ik dit aan

een moeder die nooit begrijpen zal?

 

Moeder,

Ik wou zo graag van zilver zijn,

Ik wou zo graag uit water zijn.

 

Ach, jij zandkrabbetje,

Jij maan

en zee en lage landen…

jij bent nu

én goud

én het helderste water

op een plek waar ook ik nooit komen zal.

 



14:00 Gepost door eds | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |